Text Size
  • Gewoon doen, door gewoon te doen.

    Gewoon doen, door gewoon te doen.

  • Phusis, een plek om te wonen en te werken.

    Phusis, een plek om te wonen en te werken.

  • Niet stilzitten. We gaan wat doen.

    Niet stilzitten. We gaan wat doen.

  • Iedereen verdient een kans.

    Iedereen verdient een kans.

  • Lekker weg in de natuur.

    Lekker weg in de natuur.

  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5

Ina

Ina
de kracht om jezelf te overstijgen

Ina staart door het raam van haar kamer naar buiten. Ze houdt haar geboorteknuffel stevig beet. ‘Die laat mij nooit in de steek’. ‘Ik had gisteren zo’n rotbui. Al die drukte hier. Ik begon te schreeuwen en te slaan. Toen sloeg ik de begeleider een bloedneus. Nu kan ik het wel vergeten natuurlijk. Ik heb het al zo vaak meegemaakt. Ik hoor gewoon nergens thuis.’

Ina is minstens tien keer verhuisd, nadat ze op haar dertiende van huis wegliep. Ze snijdt en bijt zichzelf, loopt weg en gooit met dingen. Ina heeft een gesprek met Bart, de directeur van Phusis, en haar begeleider. Hij zegt: ‘Ina wat je gedaan hebt is niet goed te praten. We hebben huisregels.’ ‘Waar stuur je me heen?’, zegt Ina. ‘We sturen je niet weg Ina. We willen je helpen. Zo gemakkelijk kom je niet van ons af.’

Ina staart door het raam van haar kamer naar buiten. Haar blik gaat naar de oprijlaan van de boerderij en de bossen in de verte. Ze houdt haar knuffel stevig vast. Weer afscheid nemen, denkt ze, weer verhuizen.
Ze hoort niet dat er wordt geklopt. Pas als de deur opengaat, kijkt ze om.

Hennie komt binnen met een mok thee. ‘Ik miste je in de huiskamer. Had je geen zin om te komen?’
Zwijgend haalt Ina haar schouders op.
Hennie zet de mok neer en knikt verbaasd naar de tas naast Ina. ‘Wat heeft dat te betekenen?’
‘Helemaal niks,’ antwoordt Ina.
‘Je gaat toch niet weg?’ zegt Hennie. Ze gaat op bed zitten. ‘Ik dacht dat je het hier wel leuk vond.’
Voor het eerst kijkt Ina haar aan. Hennie ziet er apart uit met haar zwarte lippenstift en piercings. Het is net of ze altijd boos kijkt. Maar als je haar beter kent is ze gewoon aardig.
‘Vind ik ook,’ zegt Ina zacht, ‘maar ik moet weg. Ik heb het zelf weer verpest.’
‘Wat is er gebeurd?’
Ina aarzelt even. ‘Ik had ruzie met Patrick over de televisie,’ zegt ze dan. ‘Je weet hoe hij is. Hij vindt het leuk om mij te klieren en hij ging maar door. Ik had al zo’n rot bui. Al die drukte om me heen. Ik begon te schreeuwen en te slaan. Toen kwam Chris binnen. Je weet wel, de begeleider van Patrick. Hij probeerde ons uit elkaar te halen, maar ik raakte zijn neus. Het bloed stroomde eruit. Nou ja, ik begrijp wel dat ik het nu kan vergeten.’
‘Misschien valt het mee,’ zegt Hennie.
Ina schudt haar hoofd. ‘Ik heb het al zo vaak meegemaakt. Ik hoor gewoon nergens thuis.’ Ze kijkt op haar horloge. ‘Ik moet zo bij de directeur komen. Dan hoor ik het.’
Hennie reikt haar de mok thee aan. ‘Wat ga je doen, terug naar huis?’
Ina gaat naast Hennie op bed zitten. Ze heeft haar knuffel tegen zich aangedrukt. ‘Dat gaat niet meer.’
Ze denkt terug aan die keer dat ze besloot het huis uit te gaan. Hoe oud was ze toen, dertien? Voor haar moeder had ze een bos rozen gekocht. Ze zaten naast elkaar op de bank. ‘Mam, het is voor iedereen beter dat ik wegga.’ Dat was wel moeilijk, maar haar moeder begreep het. Het had vooral met haar zus te maken, altijd ruzie. En er waren nog andere dingen, maar dat hoeft niemand te weten.
‘Waar moet je dan heen?’ vraagt Hennie.
‘Ze vinden wel wat voor me. Ik ben al zo vaak verhuisd.’
Ina weet het allemaal nog precies. Al lijkt het of werkelijkheid en fantasie soms in elkaar over lopen. Het is ook zo druk in haar hoofd. Die eerste keer kwam ze bij zes jongens in een rijtjeshuis terecht. Twee jaar lang heeft ze daar gewoond. Ze werd veel gepest, zoals die keer toen ze met viltstift van alles op haar dekbed hadden gekrast. Wat heeft ze toen allemaal niet gedaan, zichzelf gesneden en gebeten, weglopen, met dingen gooien. Uiteindelijk werd ze in de crisisopvang geplaatst. Daar kwam ze tot rust, maar het duurde niet langer dan drie dagen. Toen moest ze al weer ergens anders heen, naar een logeerhuis.
‘Hoe vaak dan?’ vraagt Hennie.
Ina schrikt op uit haar gedachten. ‘Huh, wat bedoel je?’
‘Hoe vaak ben je bij elkaar verhuisd?’ vraagt Hennie weer.
‘Tien keer? Elf keer? Zoiets.’ Ina zucht. ‘Het kan me allemaal niks schelen.’
Hennie kijkt haar onderzoekend aan. ‘Ik geloof er niks van.’ Ze slaat een arm om haar heen.
‘Ik had het hier naar mijn zin,’ snikt Ina. ‘Ik voelde me veilig. Niet allemaal van die stomme regeltjes. Mensen die echt naar je luisterden. En nou heb ik het zelf verpest.’
Hennie blijft een tijdje met haar armen om Ina heen geslagen zitten. Dan veegt Ina met haar mouw haar wangen droog en kijkt op haar horloge.
‘Ik moet gaan,’ zegt ze.

Bart, de directeur en Albert, haar begeleider, zitten naast elkaar aan tafel. Zenuwachtig gaat Ina tegenover de twee mannen zitten. Bart kijkt heel streng, vindt ze. Ze drukt haar knuffel tegen zich aan.
‘Waarom heb je dat bij je?’ vraagt Albert.
‘Dat is mijn geboorteknuffel,’ antwoordt Ina zacht. ‘Die laat me nooit in de steek.’
‘Luister Ina,’ begint Bart. ‘Je weet vast wel waarom je hier bent. Wat je gedaan hebt is niet goed te praten. We hebben huisregels waaraan iedereen zich moet houden…’
Ina luistert maar half. Wat heeft het voor zin? Het komt toch altijd op hetzelfde neer. Dat weet ze van al die andere keren dat ze weg moest.
‘Ina?’ vraagt Bart opeens. ‘Ik vroeg je iets. Wat vind je er zelf van?’
Voor het eerst kijkt ze Bart recht aan. ‘Ik heb er spijt van, eerlijk waar. Alleen… soms doe ik dingen die ik zelf niet wil, maar dan gebeurt het toch. Dan is het zo druk in mijn hoofd en daardoor ga ik… Nou ja, ik vind het moeilijk uit te leggen.’
Er valt een stilte. Ina aait langzaam haar geboorteknuffel.
‘Hoe moet het nu verder, denk je?’ vraagt Albert.
‘Ik begrijp dat ik weg moet,’ antwoordt Ina. ‘Waar sturen jullie me naar toe?’
‘Ina,’ zegt Bart kalm, ‘we sturen je niet weg. We willen je helpen.’
‘Wat bedoel je?’ Het lijkt of het niet goed tot Ina doordringt.
‘We sturen je niet weg.’
‘Dat meen je niet, hè?’ Ongelovig kijkt Ina van de een naar de ander.
‘Natuurlijk menen we het,’ zegt Bart met een glimlach. ‘Zo gemakkelijk kom je niet van ons af.’
Zonder na te denken vliegt Ina overeind en rent op Bart af. Ze geeft hem zo’n stevige knuffel dat hij bijna met stoel en al achterover valt.

Meldcode