|
Zwart voor de kop
Martijn ligt in bed te draaien. Het is vanavond weer helemaal misgegaan tussen hem en zijn vader, twee driftkoppen tegenover elkaar. Bijna elke weekend dat Martijn thuis komt is het raak. Er hoeft maar iets te gebeuren of ze vliegen elkaar aan. Gelukkig is het morgen maandag. Dan gaat hij weer terug naar de boerderij van Phusis. Een beetje rust in zijn hoofd kan hij goed gebruiken. ‘Wat is dat?’ Martijn schrikt van een harde tik tegen het raam. Hij tilt zijn hoofd op, maar het blijft daarna stil. Een vogel? Dat moet haast wel. Hij gooit zich chagrijnig op zijn andere zij. Op deze manier valt hij nooit in slaap. Even later klinkt er weer een tik en dan nog één. Martijn schiet overeind. Dat is geen vogel. Hij loopt naar het raam en schuift het gordijn opzij. Zijn ogen moeten even aan het donker wennen. Er zweeft iets voor het raam. Het lijkt op de punt van een bezemsteel. Dan ziet hij zijn vader buiten staan, met het andere uiteinde van de bezem in zijn hand. Hij gebaart dat Martijn zijn raam open moet doen. ‘Wat doe je daar?’ vraagt Martijn. ‘Je moeder heeft me buitengesloten,’ antwoordt zijn vader. ‘Ik moet in de schuur slapen.’ ‘Waarom? Was ze het zat dat je vanavond weer door het lint ging?’ ‘Dat maakt nou niet uit,’ antwoordt zijn vader. ‘Het is ijskoud hier. Dus maakt die buitendeur nou maar open.’ ‘Ik weet niet of ik daar zin in heb,’ zegt Martijn. ‘Ik wil geen ruzie met mam.’ Martijn weet hoe zijn moeder is. Ze is voor niemand bang. Hij ziet weer voor zich hoe ze met een broodmes in haar hand naar buiten stormde toen die familie voor de deur stond. Het begon ermee dat Martijn een jongen op skeelers in elkaar had geslagen. Dat was zijn eigen schuld. Ze kregen ruzie en die jongen begon hem uit te schelden: Kankerlijer, kankerkop en nog meer van die woorden. Daar moet je bij Martijn niet mee aan komen. Zijn opa is aan kanker gestorven. Een tijdje later kwam die jongen terug met zijn familie, dertig man of zo. Toen zijn moeder naar buiten rende, heeft Martijn 112 gebeld, met verschillende mobieltjes. Dan sturen ze meer auto’s, dacht hij. Dat klopte helemaal. Even later kwamen van alle kanten politiewagens aanscheuren. De hele straat stond meteen op zijn kop. ‘Moet je luisteren, Martijn,’ gaat zijn vader verder. ‘Vanavond, dat was stom van mij. Dat gebeurt niet meer, snap je, echt niet. Dan hoef jij ook niet meer terug naar die boerderij. Wat vind je daarvan?’ Martijn denkt na. Weer thuis wonen? Hij gaat nu elk weekend naar huis, dat doet hij voor zijn moeder. Zij is de enige die hem begrijpt. Maar elke dag thuis zou een ramp zijn. ‘Dat lijkt mij geen goed idee,’ zegt hij. ‘Hoezo? Je hebt het toch niet naar je zin bij die lui, al dat gezeur aan je kop?’ Dat was vroeger, bij die andere instellingen, denkt Martijn. Met deze begeleiders kan hij beter opschieten. Hij verveelt zich alleen op de dagbesteding. Hij wil aan de slag, met zijn handen werken en geld verdienen. Waarom heeft hij anders al die diploma’s gehaald? Maar ze hebben hem beloofd te helpen om een baan te vinden. ‘Beter dan hier!’ roept Martijn, ‘Jij verandert toch nooit. Ga maar lekker in de schuur slapen.’ Met een ruk trekt hij het gordijn dicht en duikt zijn bed in. Hij ligt nog maar net als de bezemsteel opnieuw tegen het raam tikt. ‘Hou op, man,’ moppert Martijn. Maar zijn vader houdt niet op. Martijn gooit het dekbed van zich af en loopt met grote stappen naar het raam. ‘Laat je me nou met rust of niet? Anders roep ik mam.’ ‘Hé, Martijn, ik krijg opeens een idee. Jij vindt het toch mooi werk om met zo’n piratenzender te rommelen? Als we onze schuurt daar nou eens voor gebruiken?’ En daar moet ik in trappen? denkt Martijn. Zijn vader heeft al zo vaak iets beloofd. ‘Ik geloof er niks van,’ zegt hij. ‘Ik zweer het. Kijk maar.’ Zijn vader steekt twee vingers in de lucht. Martijn aarzelt. ‘Wacht even,’ zegt hij dan. Hij trekt zijn sloffen aan en sluipt de trap af. Voorzichtig doet hij de buitendeur een stukje open, maar hij laat de ketting er voor alle zekerheid op zitten. ‘Goed zo, jongen,’ fluistert zijn vader. ‘Maak die deur maar verder open.’ ‘Meende je dat echt van die zender?’ vraagt Martijn. ‘Tuurlijk, maar daar hebben we het later nog wel over. Schiet nou maar op. Het is koud buiten.’ ‘Ik heb een vriend daar, bij Phusis’ zegt Martijn zacht. ‘Nou en?’ ‘Samen met hem hebben we ergens al een geheime zender.’ ‘Dat kan nooit een echte vriend zijn. Aan al die lui zit een steekje los. Dat weet je toch?’ ‘Wat bedoel je daarmee?’ Martijn voelt dat hij zwart voor de kop wordt, maar hij moet zich beheersen. ‘Ik bedoel helemaal niks. Haal die ketting er nou maar af.’ ‘Hij zou nooit tegen mij liegen,’ zegt Martijn. Zijn vader zucht. ‘Laat je toch niks wijs maken. Kom je hier nou een potje staan ouwehoeren of laat je me binnen?’ Martijn probeert uit alle macht zijn woede te verbergen. ‘Zal ik jou eens wat zeggen,’ sist hij. ‘Ik heb daar veel meer dan hier. Bekijk jij het maar.’ ‘Wat bedoel je?’ ‘Ik bedoel, dat ik niet meer in die stomme leugens van jou trap.’ Zijn vader begint te schelden, maar daar trekt Martijn zich niks van aan. ‘Ik ga slapen. Welterusten.’ Hij duwt de deur dicht en verdwijnt naar boven.
|