|
Een nieuw begin
‘Als je een vent bent, kom je uit voor wat je hebt gedaan,’ zegt de politieman die tegenover hem zit. ‘Misschien dat je dan met een lagere straf weg komt.’ Wiltje aarzelt. Hij kent Brouwer al heel lang, vanaf de tijd dat Wiltje nog een jongetje was. Brouwer weet ook van zijn gerommel met drugs en zo. Het lijkt of de politieman de aarzeling in zijn ogen ziet. ‘Je vader is niet trots op wat je nu hebt gedaan, jongen. Doe hem niet nog meer verdriet.’ ‘Laat mijn vader erbuiten !’ roept Wiltje. Brouwer weet dat zijn vader kanker heeft en dat Wiltje voor hem zorgt. ‘Weet je, eigenlijk hebben we jouw bekentenis niet eens nodig.’ Brouwer kijkt hem doordringend aan. ‘Hoe bedoel je?’ ‘We hebben videobanden.’ ‘Je denkt toch niet dat ik daar in trap?’ lacht Wiltje spottend, maar de twijfel in zijn ogen kan hij niet verbergen. ‘Waar zijn die banden dan?’ ‘Volgens mij valt er niks te lachen,’ zegt Brouwer. ‘Of vind je het grappig dat je de pas van je buurvrouw hebt gestolen? Heb je die camera bij de pinautomaat niet zien hangen?’ ‘Allemaal leugens,’ mompelt Wiltje. Brouwer schuift zijn stoel met een ruk naar achteren. ‘Jij wilde banden zien? Dan zal ik je banden laten zien. Je hangt jongen, eigen schuld.’ Wiltje raakt in paniek als Brouwer naar de deur loopt. ‘Stop!’ schreeuwt hij. Als Brouwer in de deuropening blijft staan, zegt hij zacht: ‘Laat die banden maar. Je weet toch al dat ik het heb gedaan.’ De politieman knikt en sluit de deur weer. ‘Heel verstandig, het is altijd goed om schuld te bekennen. Dat zijn we gelijk van die flauwekul met de banden af.’ ‘Hoezo flauwekul?’ ‘We hebben geen banden.’
Wiltje vloog de politieman aan. Hij kon er niet tegen dat Brouwer op zijn gevoel had gewerkt. Er vielen rake klappen, maar de politieman heeft er geen werk van gemaakt. De diefstal van de pinpas kwam wel voor de rechter. Wiltje moest voor drie maanden de gevangenis in en al het gestolen geld terugbetalen. Dat was het begin van een grote verandering in zijn leven. ‘Waarom zat je nou weer in de isoleer?’ vraagt Johnny. Ze zitten tegenover elkaar in de eetzaal van de gevangenis. Johnny ziet hier ook voor diefstal. Hij de enige met wie Wiltje goed kan praten. ‘Ach, je weet wel,’antwoordt Wiltje zonder op te kijken, ‘hetzelfde verhaal.’ Johnny zucht diep. ‘Waarom doe je zo achterlijk? Waarom wilde je er zo graag een einde aan maken?’ Wiltje haalt zijn schouders op. ‘Dit kan zo toch niet doorgaan?’ zegt Johnny. ‘Hebben ze daar geen medicijnen voor?’ ‘Ik heb medicijnen,’ antwoordt Wiltje, ‘maar die helpen niet.’ Opeens kijkt hij zijn vriend aan. ‘Luister, in de isoleer heb ik veel nagedacht, over mijn vader en alles wat er gebeurd is. Ik wil dit niet meer. Over een week ben ik vrij en dan ga ik alles anders doen. Geen drugs meer, hulp zoeken.’ ‘Hoe komt dat zo opeens?’ vraagt Johnny. ‘Het klinkt gek, maar ik moest aan een lied denken dat ik een tijdje geleden hoorde. Die tekst… dat was precies wat ik voelde. Het is van die grappenmaker van tv, die magere met dat brilletje. Hoe heet die nou? Hij is ook hardloper.’ Dolf Jansen?’ zegt Johnny. Wiltje knikt. ‘Precies.’ Zacht zingt hij een paar regels voor zich uit. ‘dit is niet het einde dit is het begin dit is niet het eind van de wereld, mijn lief dit is het begin en liefde is niet te vinden het vindt jou…’ Een beetje afwezig kijkt hij Johnny aan. ‘Gek hè, wat zo’n lied met je kan doen.’ Na drie maanden verliet Wiltje de gevangenis. Zijn vader was inmiddels in een verzorgingshuis opgenomen. Noodgedwongen trok hij bij zijn moeder in, maar door haar alcoholprobleem hield hij het nog geen week bij haar uit. Hij werd in een opvangvoorziening geplaatst, tussen drugsverslaafden. Geen goede plek als je met een verleden van drugs en criminaliteit wilt breken. Toen een vriend van hem in de opvangvoorziening overleed, wilde Wiltje maar één ding: Weg hier! Uiteindelijk vond hij een plek in de woonboerderij van Phusis.
Wiltje vindt het moeilijk zijn blik van Sarah af te houden. Ze zit aan tafel een beetje voor zich uit te staren. Hij merkt dat het niet goed met haar gaat. Ik durf het niet, denkt hij, maar ik doe het toch. Zijn knieën knikken als hij naar haar toeloopt. ‘Wat een klotenzooi is het soms, hè?’ Hij gaat naast haar zitten. ‘Wat weet jij daarvan?’ vraagt Sarah. ‘Alles.’ Wiltje stroopt zijn mouw op en laat de littekens op zijn onderarm zien. ‘Heb je dat zelf gedaan?’ vraagt Sarah geschrokken. ‘Waarom?’ ‘Depressief. Dan ga ik nadenken, piekeren en dan wordt het steeds erger. In de gevangenis kreeg ik ook nog verkeerde medicijnen.’ ‘En nu dan?’ vraagt Sarah. ‘Ik heb geluk gehad dat ik hier terecht ben gekomen,’ antwoordt Wiltje, ‘Ik krijg nu Ritalin waardoor ik rustiger word in mijn hoofd. En ze nemen me hier zoals ik ben, hoe moeilijk ik ook kan zijn. Ik bedoel, ze proberen oplossingen te vinden die bij mij passen. Gaat het bij jou anders?’ Sarah schudt haar hoofd. ‘Nee, ik zou hier niet weg willen.’ Voorzichtig raakt Wiltje haar hand aan. Ze trekt hem niet terug. ‘Waarom gaat het dan toch niet goed met jou,’ vraagt hij. ‘Het is uit met Mario.’ ‘Daarom hoef je je nog niet alleen te voelen,’ zegt hij. Ze kijkt hem verlegen aan. ‘Wat bedoel je?’ ‘Ik ben er ook nog.’ Er schieten Wiltje een paar regels uit dat lied te binnen: …en liefde is niet te vinden, het vindt jou…
Wiltje bekende Sarah dat hij al meteen verliefd op haar was, vanaf de eerste dag dat ze hier kwam wonen. Toen het uit was met Mario greep hij zijn kans. En nu maken ze plannen om samen te gaan wonen. Daarvoor hoeven ze niet weg. Samen met Phusis wordt een oplossing gezocht.
|