E-mail login

Medewerker e-mail login

PDF Print E-mail

Gewoon beginnen

Albert Scheer heeft jarenlange ervaring bij instellingen voor verstandelijk gehandicapten. Vanaf het begin is hij één van de drijvende krachten achter Phusis. ‘Het Griekse woord Phusis laat zich moeilijk vertalen,’ legt Albert uit. ‘Het staat voor natuur, maar dan in een brede betekenis. Phusis is alles wat groei, ontwikkeling en persoonlijke ontplooiing mogelijk maakt. Daarom geeft dit woord zo goed weer waar wij als instelling voor staan.’


‘Ideeën waren er genoeg om Phusis op te richten,’ zegt Albert, ‘maar het was moeilijk voor ons om die eerste stap te zetten. “Als je iets wilt moet je niet te lang nadenken, maar gewoon beginnen,” zei iemand in die tijd tegen ons. Hoe simpel dat ook klinkt, het is gewoon waar. Die woorden hebben ons het laatste duwtje in de rug gegeven.’

Albert vergeet Rick, hun eerste cliënt, nooit meer. Hij woonde bij zijn ouders en zijn broertje in een klein dorpje boven in Groningen. ‘Lulof en ik gingen op bezoek om het een en ander door te praten. Ik weet nog dat het een sombere dag in december was. Bij binnenkomst was het eerste dat zijn vader zei: “Jullie mogen hem wel gelijk meenemen.” In het bijzijn van Rick vertelde zijn vader wat er allemaal aan hem mankeerde en wat hij allemaal verkeerd deed. Dat bleek achteraf nogal overdreven te zijn. Rick was een gesloten jongen en probeerde zich stoer te gedragen, maar je merkte dat hij onder de beschuldigingen van zijn vader leed. Tegen Kerst kwamen we terug om hem op te halen. Zijn ouders en broertje zouden op wintersport gaan en hij mocht niet mee.’
Albert vertelt dat Phusis tijdelijk een huisje had gehuurd om Rick zo snel mogelijk onderdak en begeleiding te kunnen bieden. ‘Op kerstavond was ik bij hem in dat huisje dat nog niet volledig was ingericht. Het was kaal en ongezellig. In de loop van de avond kreeg Rick een enthousiast sms-je van zijn broer over de hoeveelheid sneeuw die was gevallen. Toen brak hij en kwamen alle emoties los.’

Korte tijd later konden ze woonboerderij ‘de Bosweg’ betrekken. Daar hebben ze hun tweede bewoner verwelkomd, een meisje afkomstig uit een voorziening voor begeleid wonen in Hoogeveen. ‘Patricia had op haar kamer een brandje gesticht,’ zegt Albert. ‘Dat was uit de hand gelopen. In paniek was ze naar buiten gevlucht en weggelopen. Achteraf viel het allemaal wel mee, maar ze werd toch veroordeeld tot een gevangenisstraf. Ze kwam tussen vrouwen terecht die heel wat meer op hun kerfstok hadden. Stel je voor, een meisje dat in de eerste plaats hulp nodig had. Via de reclasseringsambtenaar werd ze bij ons geplaatst, andere instellingen wilden haar niet hebben.’
Niet lang daarna kwam Andries bij Phusis. De instelling waar hij eerst woonde, wist niet wat ze met hem aan moesten. ‘Hij kwam op de boerderij langs om te kijken of Phusis wat voor hem was,’ vertelt Albert. ‘Dat was mooi. Hij zag ons op klompen rondlopen en wist meteen: hier pas ik wel tussen. Het gaat nu hartstikke goed met hem. Hij woont zelfstandig.’
Met drie cliënten werd het moeilijk om de zorg te bieden die nodig was. ’s Nachts moest er bijvoorbeeld ook toezicht zijn. ‘Lulof was de enige die als begeleider volledig beschikbaar was. Bart en ik moesten het erbij doen. Het was een tijd met aanloopproblemen, maar de wil om er wat van te maken was groot. We hebben veel van die periode geleerd, vooral van onze fouten.’

Na een tijdje begon het storm te lopen. Vanuit alle hoeken van het land werden cliënten aangemeld. Phusis moest meer personeel in dienst nemen en begon te groeien. Er kwamen locaties bij.
‘Grote instellingen voor geestelijke gezondheidszorg zijn heel strikt geworden als het om de acceptatie van cliënten gaat,’ zegt Albert. ‘Met een IQ lager dan 80 word je niet toegelaten. Jeugdzorg moet een leeftijdsgrens van 18 jaar hanteren. Hierdoor dreigt een groep tussen wal en schip te vallen. Phusis is een van de weinige instellingen waar ze terecht kunnen.’ Albert noemt als schrijnend voorbeeld een meisje met verschillende problemen dat 7 maanden zwanger was en bij geen enkele hulpverleningsinstelling werd geaccepteerd. Phusis heeft haar toen onderdak geboden.

Hoe komt het dat deze mensen zo in de kou blijven staan? Albert ziet de oorzaak vooral in de ontwikkeling van onze samenleving. ‘Vroeger bleven mensen met een licht verstandelijke handicap of andere problemen gewoon in de buurt of dorp wonen. Mensen letten op elkaar en hielpen elkaar. De individualisering heeft de sociale verbanden geleidelijk uitgehold. Mensen zijn druk met zichzelf en hebben minder tijd voor anderen. Als je niet mee kunt komen en afwijkend gedrag vertoont, val je af. Je krijgt een etiket opgeplakt waar je niet meer van af komt. En als het etiket dat je hebt niet past bij het aanbod van een instelling, dan heb je pech.’

Op dit moment biedt Phusis onderdak en begeleiding aan ruim 30 cliënten. De meeste blijven lang bij Phusis wonen, omdat ze hier de veilige en stimulerende omgeving vinden die anderen niet kunnen of willen bieden. Wat Albert betreft moet Phusis niet veel groter worden. ‘Kleinschaligheid is belangrijk voor onze bewoners, vandaar dat we over 11 locaties beschikken. Als we te groot worden, sluipen er toch meer regels in en wordt maatwerk steeds moeilijker.’
Albert kan zich voorstellen dat de werkwijze van Phusis op meer plaatsen wordt toegepast, zolang de setting maar kleinschalig blijft. ‘Het concept is mooi. Ik zou graag willen dat meer mensen uit onze doelgroep daar gebruik van kunnen maken.’